tegel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tegel tegels
verkleinwoord tegeltje tegeltjes

Zelfstandig naamwoord

de tegel m

  1. (bouwkunde) een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
    • Hebben ze de tegels voor de badkamer al afgeleverd?
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten

Werkwoord

vervoeging van
tegelen

tegel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegelen
    • Ik tegel.
  2. gebiedende wijs van tegelen
    • Tegel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegelen
    • Tegel je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "tegel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. tegel op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be