tegen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Voorzetsel

tegen

  1. zijdelings aanleunend
    • De fiets staat tegen de deur.
  2. oneens met, ter bestrijding van
    • Er is geen middel tegen deze ziekte.
    • Het raadslid stemde tegen het voorstel.
  3. voor of omstreeks een bepaalde tijd
    • We gingen tegen de ochtend naar huis.
    • Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam.
    • Tegen de tijd dat hij het doorkreeg, was alles al verloren.
  4. de ontvangende persoon van een boodschap: aan
    • Ik heb het tegen je gezegd.
      "Dat wordt straks wel even wennen", zegt machinist Jos van der Veen tegen RTV Noord. Hij had gisteravond zijn laatste rit naar het "oude hoofdstation"". "Ik vind het mooi om een stukje spoorweggeschiedenis mee te maken, zowel aan het einde van iets of het begin van iets. Nu mag ik het einde meemaken, hartstikke leuk."[3]
      "De beste manier om riffen te beschermen is het stoppen van de klimaatverandering", zegt koraaldeskundige Mark Eakin tegen persbureau AP. "Dat betekent dat we de uitstoot door het verbranden van fossiele brandstoffen moeten terugdringen. Al het andere is eerder een soort van pleister dan een oplossing."[4]
  5. voor de prijs van
    • Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

ergens zwaar moeite mee hebben

het er niet er mee eens zijn en er tegen in gaan

aan een stuk doorgaan (met liegen)

betrapt/gesnapt worden

iets doen wat totaal niet helpt

tegen de meerderheid ingaan

ondanks zware omstandigheden toch vooruit komen

met tegenzin doen

met tegenzin

Zich verzetten

zich verzetten tegen iets wat niet tegen te gaan is

ongeneeslijk

niemand die wil toevoegen en er beide voor gaan om te winnen

iemand door de eigen toedoen boos maken

geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg

mislopen

Vertalingen

2. oneens met, ter bestrijding van

| | vnw. bijw. | | | | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------- | | voorzetselbijwoord | tegen | | | persoonlijk | ertegen | | | aanwijz. | nabij | hiertegen | | veraf | daartegen | | | vragend/betrekk. | waartegen | |

Bijwoord

tegen

  1. (predicatief) oneens, negatief
    • Bent u voor of tegen?
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    tegenspreken: Hij sprak deze bewering tegen.
  3. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    daartegen:Daar is een goed middel tegen.
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Verwante begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord tegen tegens
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het tegen o

  1. negatief argument of negatieve kant
    • Het tegen kreeg meer aandacht dan het voor.
Antoniemen
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen