temen - WikiWoordenboek (original) (raw)
- In de betekenis van ‘zeuren’ voor het eerst aangetroffen in 1614 [1] [2]
temen [3]
- onovergankelijk op een zeurderige manier praten
- Hij begon weer daarover te temen.
- onovergankelijk aarzelen, talmen, dralen
| 50 % |
van de Nederlanders; |
| 34 % |
van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "temen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ temen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
temen
- aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temar
- gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temar
temen
- derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temer
temen
- derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temerse