temen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
temen teemde geteemd
zwak -d volledig

Werkwoord

temen [3]

  1. onovergankelijk op een zeurderige manier praten
    • Hij begon weer daarover te temen.
  2. onovergankelijk aarzelen, talmen, dralen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "temen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. temen op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
temar

temen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temar
vervoeging van
temer

temen

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temer
vervoeging van
temerse

temen

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van temerse