terugbezorgen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

terugbezorgen [1]

stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
terugbezorgen bezorgde terug terugbezorgd
zwak -d volledig
  1. weer brengen naar de plaats of persoon waarvan iets gekomen is
    'Dan wordt het wel tijd,'zei ik, 'dat we Jim zijn fiets terugbezorgen.[2]
    Keen belooft "twee mooie, veel duurdere wedstrijdbatjes" te kopen voor degene die hem zijn geliefde batje kan terugbezorgen.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen