tijdperk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdperk tijdperken
verkleinwoord tijdperkje tijdperkjes

Zelfstandig naamwoord

het tijdperk o

  1. een begrensde en als eenheid beschouwde tijd
    • In welk tijdperk leefden de dinosauriërs ook al weer?
      Met het verdwijnen van TMF is volgens regisseur Fawaz het tijdperk van de videoclip niet voorbij. "Voor alle artiesten is een clip nog steeds een van de belangrijkste punten. In een clip kan je wegdromen." Volgens Fawaz wordt er nu wel nagedacht over de potentie van een clip voor social media: "Er worden bijvoorbeeld ook tiktoks van gemaakt".[1]
      In de conformistische dagen van nu is de tentoonstelling meer dan een overzicht van leven en werk van een geliefde Drentse blueszanger. Het is ook de expositie van een voorbij tijdperk. De posters en de platenhoezen verhalen over meer dan over muziek alleen. Ze vertellen over jong en wild zijn, langharig, in spijkerbroek. Over bier, liefde en verdriet. Het maakt nostalgisch. Om de blues van te krijgen.[2]
Synoniemen
Hyponiemen
aidstijdperk apartheidstijdperk aquariustijdperk atoomtijdperk automatiseringstijdperk beschavingstijdperk bloeitijdperk bronstijdperk computertijdperk cultuurtijdperk dinosaurustijdperk egotijdperk eurotijdperk godentijdperk hoofdtijdperk ijzertijdperk ik-tijdperk informatietijdperk internettijdperk juratijdperk levenstijdperk mediatijdperk nazitijdperk olietijdperk ontwikkelingstijdperk oorlogstijdperk overgangstijdperk ruimtetijdperk ruimtevaarttijdperk slaventijdperk sovjettijdperk steentijdperk stoomtijdperk televisietijdperk vissentijdperk vredestijdperk
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen