toekomst - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toekomst toekomsten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de toekomst v

  1. de tijd die komen gaat
    • In de toekomst zullen robots al het werk gaan doen.
      Op mijn werk draaiden mijn gedachten constant om de toekomst, met veertien hersenspinsels tegelijk, eindeloos verschillende scenario’s analyserend.[2]
      Er is een mogelijkheid dat alle boeren een toekomst hebben in Nederland. Sterker: er zijn dan mogelijk zelfs meer boeren nodig. Maar dat vraagt wel om een andere aanpak, waarbij eigenlijk het hele landbouwsysteem op de schop moet, stelt een groep van zo'n 2.500 biologische boeren. Ministers Henk Staghouwer (Landbouw) en Christianne van der Wal (Natuur en Stikstof) reageren enthousiast.[3]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen