toet - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

toet

  1. geluid van een hoorn, claxon of toeter, kort loeiend geluid
enkelvoud meervoud
naamwoord toet toeten
verkleinwoord toetje toetjes

Zelfstandig naamwoord

de toet m

  1. toegespitste mond
  2. (informeel) zoen of kus
  3. (informeel) gezicht
  4. (veeteelt) (jong) vrouwtjesvarken
  5. (informeel) klein meisje, kind
  6. putje, kuiltje
  7. in een knot opgestoken hoofdhaar
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
toeten

toet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van toeten
  2. gebiedende wijs van toeten

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "toet" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. toet op website: Etymologiebank.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Limburgs

Uitspraak
enkelvoud meervoud
bepaald geheel toete toeter
gemut. doete doeter
onbepaald geheel toet toet
gemut. doet doet

Voorzetsel

toet + datief

  1. tot