toetsen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
toetsen toetste getoetst
zwak -t volledig

Werkwoord

toetsen

  1. overgankelijk bepalen van vaardigheden van iemand door middel van een test of onderzoek
    • Leerlingen worden getoetst op basis van landelijk geldende normen.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
toetsaanslag toetsafname toetsanalyse toetsbaar toetsbatterij toetsbeleg toetsbeleid toetsblad toetscombinatie toetscommissie toetsdatum toetseling toetsenbediening toetsenblad toetsenblok toetsenblokkering toetsenbord toetsencombinatie toetsendekker toetseninstrument toetsenist toetsenklavier toetsenloper toetsenman toetsenmanneke toetsenmap toetsenspeler toetsentabel toetsenventiel toetsenwerk toetser toetsformat toetsfunctie toetsgegevens toetsing toetsinstrument toetsleider toetsmateriaal toetsmatrijs toetsmoment toetsnaald toetsontwikkeling toetsperiode toetsplan toetsprogramma toetsresultaat toetsrooster toetssteen toetsster toetsstof toetsstreek toetstafel toetstarief toetstelefoon toetstrainer toetsuitslag toetsvorm toetswater toetswedstrijd toetsweek toetsweerstand toetswerk
Vertalingen

1.

Engels: attempt (en), test (en), try (en) Spaans: ensayar (es), intentar (es), probar (es)

Zelfstandig naamwoord

de toetsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord toets

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be