trillen - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| trillen | trillend |
| trilling | getrild |
Uitspraak
Woordafbreking
- tril·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| trillen | trilde | getrild |
| zwak -d | volledig |
Werkwoord
trillen
- inergatief snel heen een weer bewegen
- De snaar trilde totdat de harpist deze met zijn hand afdempte.
trillen
- ▸ Ik stond te trillen op mijn benen.[3]
▸ Zijn armen en benen beginnen te trillen van de inspanning en van, vermoedelijk, de angst.[4]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. snel heen een weer bewegen
Gangbaarheid
- Het woord trillen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "trillen" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "trillen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ trillen op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Ronald Giphart e.a.
“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be