trillen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
trillen trillend
trilling getrild
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
trillen trilde getrild
zwak -d volledig

Werkwoord

trillen

  1. inergatief snel heen een weer bewegen
    • De snaar trilde totdat de harpist deze met zijn hand afdempte.

trillen

  1. Ik stond te trillen op mijn benen.[3]
    Zijn armen en benen beginnen te trillen van de inspanning en van, vermoedelijk, de angst.[4]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. snel heen een weer bewegen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "trillen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. trillen op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be