trip - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord trip trippen
verkleinwoord tripje tripjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de trip v / m

  1. (schoeisel) (historisch) middeleeuws schoeisel met een houten zool en een riempje over de wreef
  2. (schoeisel) (historisch) plankjes die men bij de turfwinning onder de voeten bond om niet in de natte bodem weg te zakken
  3. (paardrijden) houten plankje voor onder de hoef van een paard
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
trippen

[A] trip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trippen
    • Ik trip.
  2. gebiedende wijs van trippen
    • Trip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trippen
    • Trip je? (2)

Tussenwerpsel

[A] trip

  1. aanduiding voor (het geluid van) heel een licht stapje
Opmerkingen
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord trip trips
verkleinwoord tripje tripjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de trip m

  1. korte reis
    Ik maakte vóór mijn trip vaak de grap dat ik zodra mijn oudste dochter ontspoorde direct naar huis zou komen.[6]
  2. ervaring opgeroepen door bedwelmende middelen (tripmiddelen)
    • Hebben jullie ook dat wiet roken tijdens de trip echt wel je trip beïnvloedt?
    • Psychedelica doen het ego verdwijnen. Sommigen voelen zich dan één met de natuur, anderen met een godheid. Ik werd helemaal één met muziek van Bach tijdens een trip.[7]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trippen

[B] trip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trippen
    • Ik trip.
  2. gebiedende wijs van trippen
    • Trip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trippen
    • Trip je? (3)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. trip (plankje voor turftrappen) op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. trip (tochtje) op website: Etymologiebank.nl
  5. 1 2 "trip" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  6. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  7. www.parool.nl (30 mrt 2026)
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to trip
he/she/it trips
verleden tijd tripped
voltooid deelwoord tripped
onvoltooid deelwoord tripping
gebiedende wijs trip

Werkwoord

trip

  1. onovergankelijk struikelen
  2. onovergankelijk een reisje/tocht/uitstapje maken
  3. onovergankelijk een fout maken, in de fout gaan
  4. onovergankelijk losschieten [1], losspringen
  5. onovergankelijk trippen [3]
  6. overgankelijk laten/doen vallen/struikelen
  7. overgankelijk betrappen
  8. overgankelijk losgooien
  9. overgankelijk, (scheepvaart) kaaien
  10. overgankelijk, (scheepvaart) de marssteng ophalen
enkelvoud meervoud
trip trips

Zelfstandig naamwoord

trip

  1. excursie, korte reis, reisje, tochtje, toer [1], trip [3], uitstapje
  2. fout, misstap, vergissing
  3. drugstrip, trip [4]
  4. (techniek) pal (m.n. bij ontkoppelingsmechanismen)
  5. (scheepvaart) laveergang

Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

trip m

  1. (spreektaal) drugstrip, trip [4] [1]
  2. (spreektaal) roes, droombeeld, waan
    «J’étais dans mon trip sur le flipper quand le taulier a dit qu’il fermait.»
    Ik ging uit mijn dak op de flipperautomaat toen de cafébaas zei dat hij ging sluiten. [1]
  3. (spreektaal) voorkeur
    «Me taper la copine de mon meilleur pote, c’est pas mon trip
    De vriendin van mijn beste vriend versieren, da's niks voor mij. [1]

Verwijzingen

  1. 1 2 3 Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 206