trog - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

paarden bij een trog

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trog troggen
verkleinwoord trogje trogjes

Zelfstandig naamwoord

de trog m

  1. (veeteelt) een langgerekte voederbak
    • De trog was goed gevuld.
  2. (geologie) een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat
    • De trog bij de Marianen is het diepste punt van de aardbodem.
  3. (meteorologie) een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied
    • Na een koufrontpassage die gepaard gaat met slecht weer, volgt er een trog als het een tijd lang mooi weer is geweest.
  4. broodtrog, deegtrog, kneedtrog, moel; houten bak om (brood)deeg in te kneden en te laten rijpen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een langgerekte voederbak.

2. een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat.

3. een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied.

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "trog" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. trog op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be