troost - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord troost
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de troost m

  1. steun bij verdriet of pijn
    • De bronzen medaille bleek een schrale troost voor de competitief ingestelde Jan.
      Het zou kloppen als overspel uitsluitend zou worden gepleegd met onbekenden; passanten die in een vlaag van onbeheersbaar verlangen al dan niet eenmalig troost bij elkaar zoeken.[3]
      Nella probeert troost te putten uit Cornelia's kordate, huiselijke bezigheden - kletterende pannen, fruitende uien, spetterend spek.[4]
      ‘Veel Amerikanen willen zulke woorden graag horen. Ze verwachten van hun president dat hij troost en hoop biedt, verzoenende taal gebruikt, een samenbindende rol speelt.[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. steun bij verdriet of pijn

Werkwoord

vervoeging van
troosten

troost

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van troosten
  2. gebiedende wijs van troosten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "troost" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. troost op website: Etymologiebank.nl

  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471

  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  5. Bronlink Weblink bron
    Theo Koelé
    “De maat is vol, Obama keert zich tegen zijn opvolger Trump” (4 juni 2020), de Volkskrant
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be