tros - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tros trossen
verkleinwoord trosje trosjes

Zelfstandig naamwoord

de tros m

  1. (biologie) bloeiwijze
  2. bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
  3. (scheepvaart) een uit minstens drie kardelen geslagen touw dat dikker is dan een lijn (4 cm omtrek)
  4. (militair) door een leger meegevoerde bagage en reserves en de daarbij gebruikte voertuigen en personen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen

Werkwoord

vervoeging van
trossen

tros

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trossen
    • Ik tros.
  2. gebiedende wijs van trossen
    • Tros!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trossen
    • Tros je?
Anagrammen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. tros op website: Etymologiebank.nl
  3. tros op website: Etymologiebank.nl
  4. tros op website: Etymologiebank.nl
  5. "tros" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be