tuieren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

tuieren [2]

stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
tuieren tuierde getuierd
zwak -d volledig
  1. (landbouw) vee vastzetten zodat ze maar een bepaald gedeelte van de weide kunnen begrazen
  2. knoeien, prutsen
  3. met touw of kabel vastmaken
Vertalingen

3. met touw of kabel vastmaken

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. tuieren op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be