tweelingwoord - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tweelingwoord tweelingwoorden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de tweelingwoord m

  1. (taalkunde) elk van twee woorden die nauwelijks van elkaar verschillen omdat ze dezelfde herkomst hebben
    Tegenwoordig ziet men, in ons land, reclames van dit Fransche automerk, waarbij de naam Citroen gekroond wordt met een krachtdadig deelteeken op de e. De motieven van de aanbrenging van dat deelteeken kunnen we onbesproken laten. Maar van het oogenblik dat het is aangebracht, is onze taal „verrijkt”, naar men dat noemt, met een doublet of tweelingwoord: „citroën”, naast citroen; zooals „Dietsch” in veel vroegere eeuwen is komen te staan naast „Duitsch”, „men” naast „man”, „snoeven” naast „snuiven”, ’t figuurlijke „verbreiden” naast „verbroeden”; enz. enz.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 17 augustus 2025 Weblink bron
    Walch, Jan
    “Uit de levensgeschiedenis van woorden” (1928), Thieme, Zutphen, p. 1