tweelingwoord - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: tweelingwoord (hulp, bestand)
- IPA: / ˈtwelɪŋˌwort / (3 lettergrepen)
Woordafbreking
- twee·ling·woord
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tweelingwoord | tweelingwoorden |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
de tweelingwoord m
- (taalkunde) elk van twee woorden die nauwelijks van elkaar verschillen omdat ze dezelfde herkomst hebben
▸ ⧖ Tegenwoordig ziet men, in ons land, reclames van dit Fransche automerk, waarbij de naam Citroen gekroond wordt met een krachtdadig deelteeken op de e. De motieven van de aanbrenging van dat deelteeken kunnen we onbesproken laten. Maar van het oogenblik dat het is aangebracht, is onze taal „verrijkt”, naar men dat noemt, met een doublet of tweelingwoord: „citroën”, naast citroen; zooals „Dietsch” in veel vroegere eeuwen is komen te staan naast „Duitsch”, „men” naast „man”, „snoeven” naast „snuiven”, ’t figuurlijke „verbreiden” naast „verbroeden”; enz. enz.[2]
Synoniemen
Gangbaarheid
- Het woord 'tweelingwoord' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron
Walch, Jan
“Uit de levensgeschiedenis van woorden” (1928), Thieme, Zutphen, p. 1