twijg - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord twijg twijgen
verkleinwoord twijgje twijgjes

Zelfstandig naamwoord

de twijg v / m

  1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
    • Manden kunnen ook van twijgen gevlochten worden.
Vertalingen

1. een dun buigzaam takje van een boom of struik

Deens: kvist (da) g Duits: Zweig (de) m Engels: twig (en) Fins: varpu (fi) Frans: rameau (fr) m, brindille (fr) v Italiaans: ramoscello (it) m Japans: 小枝 (ja) Russisch: веточка (ru) v Schots-Gaelisch: bioran (gd) m, geug (gd) v Spaans: ramita (es) v Zweeds: kvist (sv) g

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "twijg" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be