vent - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vent venten
verkleinwoord ventje ventjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de vent m

  1. kerel, man (wordt zowel positieve als in negatieve zin gebruikt)
    • Een toffe gozer, een jofele vent.
    • Nee, die man van mij, dat is een eitje, een vent van niks!
      Ik dacht bij mezelf dat je naar die vent was teruggegaan.[8]
      'Vertel me eens over die vent met wie je op de bruiloft stond te praten?' vervolgde ze met een sluwe blik in haar ogen.[9]
      Het was een lange slanke vent van in de veertig, en in tegenstelling tot alle andere hikers was hij glad geschoren met een verzorgde, gezonde uitstraling.[10]
  2. (regionaal in Vlaanderen) gecastreerde ezel
    • Maar ze vergeten ondertussen wel dat “vent” oorspronkelijk “gecastreerde ezel” betekent. [11]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord vent vents
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[B] de vent m

  1. opening waardoor lucht een afgesloten ruimte in of uit kan stromen
    In de periode van 23 tot en met 27 augustus 2007 waren er verhoogde acrylonitril (AN)-metingen rond de trein (fabriek) 4 en 5 bij het SNP tankenpark bij Dow in Terneuzen142. Dit bleek te wijten aan een lekkende ERV-pakking van voedingstank 2TV-417 en een defecte N2 PCV van de 4VE430-tank van trein 4 die continue N2 aan het suppleren was met als gevolg dat niet alle vents naar de fornuizen gingen, maar dat een deel ook naar buiten ontluchtte.[12]

Werkwoord

vervoeging van
venten

[C] vent

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van venten
  2. gebiedende wijs van venten
    • Nee, ik vent niet meer, ik sta nu op de markt, minder gesjouw weet je ...

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[13]

Verwijzingen

  1. vent op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. 1 2 "vent" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Online: koeblergerhard.de
  5. Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden: Brill publishers: p. 128. ISBN: 978-90-04-18340-7
  6. August Lübben & Christoph Walther, Mittelniederdeutsches Handwörterbuch, Soltau 1888: p. 475. Online: archive.org
  7. vent op website: Etymologiebank.nl

  8. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625

  9. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  10. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  11. Hermsen, J.J. Tweeduister 2e druk (2010) De Arbeiderspers, Amsterdam; ISBN 9789029576895; hfst. 3; geraadpleeegd 2018-06-13
  12. Bronlink geraadpleegd op 24 juli 2020 Weblink bron
    Rechtbank Zeeland-West-Brabant
    “uitspraak in strafzaak 996503-07 (Dow Benelux B.V.) op 21 maart 2014”, ECLI:NL:RBZWB:2014:1911 (24 maart 2014), par. 4.3.6 op rechtspraak.nl
  13. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
vent le vent vents les vents

Zelfstandig naamwoord

vent m

  1. (meteorologie) wind
    «D'où vient le vent
    Uit welke hoek waait de wind?
  2. (spreektaal) weigering, afwijzing, blauwtje
    «J’t’ai raconté le vent avec Sacha?»
    Heb ik je al verteld van mijn blauwtje bij Sacha? [1]
Antoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Uitdrukkingen en gezegden

Verwijzingen

  1. Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 212