verblijf - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verblijf verblijven
verkleinwoord verblijfje verblijfjes

Zelfstandig naamwoord

het verblijf o

  1. het verblijven
    • Ik zou graag mijn verblijf willen verlengen.
      Mocht u iets nodig hebben, volstaat het aan het schelkoord te trekken dat naast de deur hangt. Ik wens u een aangenaam verblijf toe in Grand Hotel Europa.'[2]
      Er waren maar drie regels in haar Hippie Daycare: iedereen moest een Hawaii shirt aan tijdens het verblijf in haar tuin, je kon tegen een kleine donatie ’s avonds Mexicaans mee-eten en om tien uur moest je stil zijn voor de buren.[3]
  2. een onderkomen
    • Dit is mijn verblijf voor de komende paar maanden.
      Zeeleeuwen weg uit Artis, PvdD had geklaagd over verblijf De laatste drie Californische zeeleeuwen in Artis gaan de dierentuin verlaten.[4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verblijven

verblijf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verblijven
    • Ik verblijf.
  2. gebiedende wijs van verblijven
    • Verblijf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verblijven
    • Verblijf je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen