verbruik - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord verbruik -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het verbruik o

  1. hoeveel datgene vermindert wat je nodig hebt voor een bepaald nut, bijvoorbeeld de gebruikte brandstof om een bepaalde afstand af te leggen
    • Wat is het verbruik van jouw auto?
  2. de totale verbruikte hoeveelheid
    • Vorige maand had ik een verbruik van 126 kWu elektriciteit.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

2. de totale verbruikte hoeveelheid

Werkwoord

vervoeging van
verbruiken

verbruik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verbruiken
    • Ik verbruik.
  2. gebiedende wijs van verbruiken
    • Verbruik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verbruiken
    • Verbruik je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be