vies - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vies viezer viest
verbogen vieze viezere vieste
partitief vies viezers -

Bijvoeglijk naamwoord

vies

  1. bevuild, smerig
  2. (voeding), (drinken) een onaangename smaak hebbend
    • Ik vond vroeger het eten thuis altijd vies.
  3. immoreel
    • Het boek ‘Sywerts Miljoenen’ laat lezer achter met heel vies gevoel. [5]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

een gelaatsuitdrukking waarmee men zijn afkeer van iets uitdrukt

Rustig stak hij zijn hashpijp op en keek met een vies gezicht naar mijn flessen. [6]

Vertalingen

1. smerig

Bretons: lous (br) Chinees: (zh) (gòu) Deens: beskidt (da) Duits: schmutzig (de), verdreckt (de) Engels: dirty (en), filthy (en) Frans: sale (fr) m v Fries: smoarch (fy), goar (fy) Ido: desneta (io) Iers: salach (ga) Indonesisch: kotor (id), dekil (id), licik (id) Interlingua: immunde (ia) Italiaans: sporco (it) m, sporca (it) v Japans: 汚い (ja) (きたない, kitanai), 汚れる (ja) (よごれる, yogoreru) Perzisch: كثيف (fa) Pools: brudny (pl) m Portugees: sujo (pt) m, suja (pt) v, imundo (pt) m, imunda (pt) v Roemeens: murdar (ro) Russisch: грязное (ru) Spaans: sucio (es) Urdu: گندا (ur) Welsh: pỳg (cy) Zweeds: smutsig (sv)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen

  1. Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden, Brill Publishers: p. 142. ISSN 1574-3586 / ISBN 978-90-04-18340-7
  2. "vies" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. vies op website: Etymologiebank.nl
  4. www.nrc.nl (11 mrt 2025)
  5. www.parool.nl (23 mrt 2022)
  6. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Werkwoord

vies

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van (to) vie

Deens

Woordafbreking

Werkwoord

vies

  1. lijdende vorm in de tegenwoordige tijd van vi
Schrijfwijzen

Frans

Zelfstandig naamwoord

vies v mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vie

West-Vlaams

Bijvoeglijk naamwoord

vies

  1. boos