vijs - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vijs vijzen
verkleinwoord vijsje vijsjes

Zelfstandig naamwoord

de vijs v / m

  1. (techniek) (vooral zuidelijk) ijzeren staafje of kegeltje met schroefdraad dat gebruikt wordt om voorwerpen vast te maken
    • Te koop: muurhaken,nagels,vijzen en pluggen.
Synoniemen

Bijvoeglijk naamwoord

vijs

  1. vies, vuil

Werkwoord

vervoeging van
vijzen

vijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vijzen
    • Ik vijs.
  2. gebiedende wijs van vijzen
    • Vijs!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vijzen
    • Vijs je?

Gangbaarheid

16 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. vijs op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be