vinger - WikiWoordenboek (original) (raw)

Een vinger (wijsvinger)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vinger vingers(vingeren)
verkleinwoord vingertje vingertjes

Zelfstandig naamwoord

de vinger m

  1. (anatomie) elk van de 5 gelede extremiteiten waar de hand zich in splitst
    Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.[3]
    Het was hoogzomer en ik liep tot mijn oksels door het hoge gras, strekte mijn armen uit en liet mijn vingers over de grassprieten glijden.[4]
Meroniemen
Holoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Hij maakt op onbescheiden wijze gebruik van wat hem is toegestaan, hij maakt misbruik van iemands welwillendheid.

Uitdrukkingen en gezegden

Dat klopt precies.

zeer gemakkelijk nagaan, inzien

(synoniem) penis

de nieuwste ontwikkelingen bijhouden

zwijgen, niets (over)vertellen, of aldus aanduiden dat men zwijgen moet

precies zeggen waar een gebrek schuilt

Nee, er was iets wat verkeerd aanvoelde, het was alleen moeilijk om de vinger erop te leggen.[5]

mede verantwoordelijk zijn, mede beslissen

een kleine avance maken

Hij moet iets produceren.

er vat op krijgen

er geen voor willen doen

goede met planten om te gaan

de vermaningsijver

zich nadeel berokkend, tegen zijn eigen belang gehandeld

Hij is zeer zachtaardig.

iemand berispen

iets oogluikend toelaten

het door en door kennen, beheersen, er aanleg voor hebben

geneigd zijn te stelen

aldus de aandacht op iets of iemand vestigen

iemand aanduiden met minachting

zeer gering in aantal zijn

door en door, helemaal, geheel en al

de onaangename gevolgen van een ondoordachte handelwijze ondervinden

iets niet aanraken

Vertalingen

1. extremiteiten van de hand

iemand op de vingers tikken

Werkwoord

vervoeging van
vingeren

vinger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vingeren
    • Ik vinger.
  2. gebiedende wijs van vingeren
    • Vinger!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vingeren
    • Vinger je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vinger" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. vinger op website: Etymologiebank.nl
  3. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  5. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord vinger vingers

Zelfstandig naamwoord

vinger

  1. (anatomie) vinger.

Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

vinger m

  1. vinger
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief vinger - vingerke - vinger(er) - vingerkes -
genitief vingers - vingerkes - vinger(er) - vingerkes -
locatief vingeres - vingereske - vingerese) - vingereskes -
datief vingere - vingerke - vinger(er) - vingerkes -
accusatief vinger - vingerke - vinger(er) - vingerkes -