violet - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord violet -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het violet o

  1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
    • Rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet zijn de zeven kleuren van de regenboog.
Hyperoniemen
Vertalingen

1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen violet violetter violetst
verbogen violette violettere violetste
partitief violets violetters -

Bijvoeglijk naamwoord

violet

  1. (kleur) de kleur violet hebbend
    • Hij gaf haar een mooie violette bloem.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)

Verwijzingen

  1. "violet" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
violet more violet most violet

Bijvoeglijk naamwoord

violet

  1. (kleur) violet
enkelvoud meervoud
violet violets

Zelfstandig naamwoord

violet

  1. (plantkunde) viooltje [1]
    «Roses are red, violets are blue.»
    Rozen zijn rood, viooltjes zijn blauw.