vis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord vis vissen
verkleinwoord visje visjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord vis -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de vis m

  1. (dierkunde) benaming voor dieren uit de groep Pisces op Wikispecies: gewerveld dier met kieuwen, levend in water
    • Door de overvloedige visvangst worden sommige vissen steeds schaarser.
      Ik wilde dolgraag een keer verse vis vangen en op een kampvuurtje grillen.[4]
      Daar zat ik dan, starend naar de vissen die hopelijk mijn avondeten zouden vormen.[4]
  2. (metonymisch) het vlees van een vis (1)
    • Vis wordt beschouwd als hersenvoer.
Schrijfwijzen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Voor niemand een oplossing zijn

Bij het eten van vis moet veel gedronken worden

Dat kun je verwachten van bepaalde mensen in bepaalde omstandigheden

Je moet niet te lang ergens blijven plakken

De hogere lagen in een hiërarchie gebruiken de lagere voor eigen doelen

Het vereist zware offers[5]

Er moet direct bij de levering van een product betaald worden

Uitdrukkingen en gezegden

Zich op zijn plek voelen

Goed zwemmen

Hulpeloos

Zeer gezond

In dit water is veel vis aanwezig om te vangen

Hij is nergens geschikt voor

Niet weten of men iets aan iemand heeft

Niet goed in te delen, kan het en en kan het ander zijn

Uitschelden

Een organisatie of bedrijf gaat ten onder door slecht bestuur

Vertalingen

1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water

Werkwoord

vervoeging van
vissen

vis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vissen
    • Ik vis.
  2. gebiedende wijs van vissen
    • Vis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vissen
    • Vis je?
Schrijfwijzen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord vis vissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis; gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. (metonymisch) vis; het vlees van een vis (1)
  3. (astrologie) Vissen; teken van de dierenriem van ca. 19 februari tot ca. 21 maart

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord vis visse
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis; gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. (metonymisch) vis; het vlees van een vis (1)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden

Meer informatie

Deens

Woordafbreking

Bijvoeglijk naamwoord

vis

  1. wijs

Werkwoord

vis

  1. lijdende vorm in de tegenwoordige tijd van vi
Schrijfwijzen

Verwijzingen

Drents

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis

Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
vis la vis vis les vis

Zelfstandig naamwoord

vis v

  1. schroef; vijs
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
vivre

vis

  1. eerste en tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van vivre
  2. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van vivre

Werkwoord

vervoeging van
voir

vis

  1. eerste en tweede persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van voir

Latijn

Zelfstandig naamwoord

vis v

  1. kracht

Werkwoord

vervoeging van
vĕlle

vīs

  1. actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van vĕlle

Lets

Partikel

vis

  1. in het geheel, echt (gebruikt om een ontkennend werkwoord te versterken)

Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord vis vissen
verkleinwoord visjen

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis; gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. (metonymisch) vis; het vlees van een vis (1)
  3. (astrologie) Vissen; teken van de dierenriem van ca. 19 februari tot ca. 21 maart
Schrijfwijzen
Fisch Fisk visj visk viske vissche
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald(sterk) m/v enkelvoud vis visere visest
o enkelvoud vis
meervoud vise
bepaald(zwak) enkelvoud enmeervoud vise visere viseste

Bijvoeglijk naamwoord

vis

  1. wijs
    «En vis mann har sagt at ...»
    Een wijze man heeft gezegd dat ...

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | vis | | | |

Zelfstandig naamwoord

[A] vis m

  1. wijs
Spreekwoorden

Een gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden.

Uitdrukkingen en gezegden

de wijzen uit het oosten

m/v enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief vis m: visenv: visa viser visene
genitief vis' m: visensv: visas visers visenes
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief vis viset vis visa
genitief vis' visets vis visas

Zelfstandig naamwoord

[B] vis m / v / o

  1. wijze, manier
    «De pengene har han ikke tjent på ærlig vis
    Het geld dat hij heeft, heeft hij niet op eerlijke manier verdiend.

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald(sterk) m/v enkelvoud vis visare visast
o enkelvoud vis
meervoud vise
bepaald(zwak) enkelvoud enmeervoud vise visare visaste

Bijvoeglijk naamwoord

vis

  1. wijs
    «Ein vis mann har sagt at ...»
    Een wijze man heeft gezegd dat ...

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | vis | | | |

Zelfstandig naamwoord

[A] vis m

  1. wijs
Spreekwoorden

En dåre kan spørje meir enn ti vise kan svare.

Uitdrukkingen en gezegden

de wijzen uit het oosten

m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief vis visen visar visane
v enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief vis visa viser visene
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief vis viset vis visa

Zelfstandig naamwoord

[B] vis m / v / o

  1. wijs

Sallands

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis

Stellingwerfs

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

vis monbezield

  1. een gymnastische positie waarin het lichaam aan een toestel hangt
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | vis | visy | | genitief | visu | visů | | datief | visu | visům | | accusatief | vis | visy | | vocatief | vise | visy | | locatief | visu | visech | | instrumentalis | visem | visy |

Gelijkklinkende woorden
Anagrammen

Verwijzingen

Werkwoord

vis

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord viset

Twents

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis
Schrijfwijzen

Veluws

enkelvoud meervoud
naamwoord vis
verkleinwoord visjen

Zelfstandig naamwoord

vis

  1. (dierkunde) vis
Afgeleide begrippen

Zeeuws

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

vis m

  1. (dierkunde) vis

Zweeds

Bijvoeglijk naamwoord

vis

  1. wijs