vizier - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

[2] via Middelnederlands visiere van Frans visière, in de betekenis van ‘helmklep’ aangetroffen vanaf ca. 1260 (zie vindplaats hieronder) [3] [4]

enkelvoud meervoud
naamwoord vizier vizieren
verkleinwoord viziertje viziertjes

Zelfstandig naamwoord

[A] het vizier o

  1. (militair) richttoestel op de loop van een vuurwapen
    Wat wel gheoeffent schutter mach nu dese engheyt misprijsen? Of wie soude den Leering een ruymer Visier of kijckgat op sijne Busse willen maken tot voorderinge van sijn wel schieten?[7]
    • Hij had 'm in het vizier.
  2. (militair) (historisch) klep aan een hoofddeksel of opening in een helm waar men doorheen kan kijken
    Nichanor sette hem ter weren
    Ende stakene doe vele sciere
    Mettien spere dor die visiere
    Dor den nese in bede doghen.[8]
  3. in het vizier hebben: je richten op een haalbaar doel, (van personen) als doelwit (van een aanval, acquisitie, kritiek, wantrouwen, e.d.) nemen
    • ,,We zitten in een heel goede fase”, aldus Hulshoff. ,,Zeker als je ziet waar we vandaan komen. Natuurlijk hebben we, toen het sportief minder goed ging, ook gedacht: verdikke, zou het erin zitten? Maar we hebben voor Jupiler League-begrippen gewoon een hartstikke goede ploeg.” Cambuur staat momenteel elfde in de Jupiler League, maar heeft inmiddels de subtop in het vizier. [9]
      Wat wel gheoeffent schutter mach nu dese engheyt misprijsen? Of wie soude den Leering een ruymer Visier of kijckgat op sijne Busse willen maken tot voorderinge van sijn wel schieten?[7]
      Clinton Mata heeft intussen aangegeven dat hij Club Brugge graag wil verlaten. De verdediger hoopt op een stap hogerop en verschillende Bundesliga-clubs hebben hem in het vizier.[10]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen

2. klep aan een hoofddeksel

enkelvoud meervoud
naamwoord vizier viziers
verkleinwoord viziertje viziertjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de vizier m

  1. (geschiedenis) minister of hoog staatsdienaar, rechterhand onder een Oosters heerser zoals een sultan (meestal voorafgegaan door primo, groot, eerst)
    overmits sy desen teghenwoordighen soldaen hebben willen of setten, daer teghens sich alleene ghestelt heeft den Ianitzer Aga, waer over men een ander Primo Vizier geordonneert, ende des Soldaens Regieringhe op 6. Iaren gheconfirmeert heeft.[11]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. minister of hoog staatsdienaar

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[12]

Meer informatie

Verwijzingen