vlegel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Een dorsvlegel.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vlegel vlegels
verkleinwoord vlegeltje vlegeltjes

Zelfstandig naamwoord

de vlegel m

  1. (landbouw) dorswerktuig
    Zo ongeveer vanaf de Middeleeuwen werd in de winter de rogge gedorst met een vlegel, in onze streek met een “koeze”, een krom gegroeid boomstammetje.[4]
  2. (scheldwoord) ondeugende jongen of lompe man
    • Brutale vlegel!
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vlegelen

vlegel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlegelen
    • Ik vlegel.
  2. gebiedende wijs van vlegelen
    • Vlegel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlegelen
    • Vlegel je?

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. vlegel op website: Etymologiebank.nl
  3. "vlegel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 7 juni 2023 Weblink bron “Marclo's Chronyke” (2004), Stichting Heemkunde Markelo
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be