vlerk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vlerk vlerken
verkleinwoord vlerkje vlerkjes

Zelfstandig naamwoord

de vlerk v / m

  1. (scheldwoord) brutaal/onbeleefd/horkerig iemand
    • Je weet het natuurlijk niet zeker, maar in de reacties op de online necrologieën lijkt een andere generatie aan het woord: „De man was domweg een arrogante vlerk”, schrijft iemand in de FAZ, „met zijn morele superioriteit en zijn ‘verheven’ wereldbeeld”.[3]
  2. (zoötomie) vleugel zn [1]
  3. (anatomie), (dysfemisme) hand zn [1]
    • Blijf er met je vlerken af!
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vlerk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. vlerk op website: Etymologiebank.nl
  3. NRC Paul Luttikhuis 14 april 2015
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be