voeder - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voeder voeders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het voeder o [4] [5] [6]

  1. (voeding) voer
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord voeder voeders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de voeder m

  1. iemand die voert [7]

Werkwoord

vervoeging van
voederen

voeder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voederen
    • Ik voeder.
  2. gebiedende wijs van voederen
    • Voeder!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voederen
    • Voeder je?

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[8]

Verwijzingen

  1. "voeder" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. voeder op website: Etymologiebank.nl
  3. voeder op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be