voertuig - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voertuig voertuigen
verkleinwoord voertuigje voertuigjes

Zelfstandig naamwoord

het voertuig o

  1. (verkeer) door de mens gemaakt vervoermiddel, gewoonlijk op wielen of glijvlakken, voor het verplaatsen over land van personen en goederen
    • Heden ten dage is de auto het meest gebruikte voertuig.
      De campagne richt zich in eerste instantie vooral op ouders van jonge kinderen, forenzen en ouderen. Mensen van 55 jaar en ouder vormen immers bijna de helft (41 procent) van alle fietsslachtoffers op de spoed. Vaak zijn dit mensen op een e-bike, ziet Baden. "Dat heeft te maken met verminderde spierkracht, een verminderd reactievermogen en juist een sneller bewegend voertuig."[2]
Hyponiemen
amfibievoertuig balansvoertuig bergingsvoertuig blusvoertuig brandweervoertuig hulpverleningsvoertuig lanceervoertuig landbouwvoertuig luchtkussenvoertuig motorvoertuig MUG-voertuig pantservoertuig politievoertuig railvoertuig rupsvoertuig spoorvoertuig voorrangsvoertuig wielvoertuig
Afgeleide begrippen
voertuigafhankelijk voertuigas voertuigbak voertuigbeheersing voertuigcategorie voertuigcriminaliteit voertuigenpark voertuigfabrikant voertuiggebonden voertuiggewicht voertuigindustrie voertuigkeuze voertuigpark voertuigsnelheid voertuigtechnologie voertuigtype voertuigunit voertuigverlichting
Verwante begrippen
Vertalingen

1. vervoermiddel over land

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "voertuig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 16 april 2025 Weblink bron
    Noor de Kort
    “Nederlanders willen geen fietshelm, maar dat gaat misschien veranderen” (16 april 2025), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord voertuig voertuie

Zelfstandig naamwoord

voertuig

  1. voertuig