voorkant - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorkant voorkanten
verkleinwoord voorkantje voorkantjes

Zelfstandig naamwoord

de voorkant m

  1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is.
    • De voorkant van een huis is gewoonlijk naar de straat gericht waaraan het ligt.
      Die muur bood aan de voorkant van het huis beschutting aan een bloementuin.[1]
      "Simpel gezegd zit de voorkant aan de achterkant en de achterkant aan de voorkant", zegt wethouder Rens Reijnierse van de gemeente Vlissingen tegen Omroep Zeeland.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen