voorkant - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·kant
Woordherkomst en -opbouw
- samenstelling van voor en kant
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorkant | voorkanten |
| verkleinwoord | voorkantje | voorkantjes |
Zelfstandig naamwoord
de voorkant m
- een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is.
- De voorkant van een huis is gewoonlijk naar de straat gericht waaraan het ligt.
▸ Die muur bood aan de voorkant van het huis beschutting aan een bloementuin.[1]
▸ "Simpel gezegd zit de voorkant aan de achterkant en de achterkant aan de voorkant", zegt wethouder Rens Reijnierse van de gemeente Vlissingen tegen Omroep Zeeland.[2]
- De voorkant van een huis is gewoonlijk naar de straat gericht waaraan het ligt.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
Gangbaarheid
- Het woord voorkant staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "voorkant" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |