vors - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
vorsen

vors

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
    • Ik vors.
  2. gebiedende wijs van vorsen
    • Vors!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
    • Vors je?

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. "vors" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord vors vorste

vors

  1. (adel) vorst
  2. (bouwkunde) vorst, nok
  3. (verouderd)(meteorologie) vorst
stamtijd
infinitief voltooid deelwoord
vors gevors
volledig

Werkwoord

vors

  1. onovergankelijk (zeldzaam) vorsen, onderzoeken