vouwen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Vouwen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
erfwoord Indo-Europees: *palo-, *plō- «vouwen»Germaans: *falþanan «vouwen» klasse 7Oudnederlands: *faldanMiddelnederlands: vouden Andere Germaanse talen Angelsaksisch: fealdan Middelengels: folden Engels: fold Duits: falten Oudnoords: falda Deens: folde Gotisch: 𐍆𐌰𐌻𐌸𐌰𐌽 (falþan) Andere Indo-Europese talen
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
vouwen vouwend
vouw gevouwen
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
vouwen vouwde gevouwen
zwak -dgemengd volledig

Werkwoord

vouwen

  1. twee delen over een naad tezamen buigen
    • Het vouwen van papier is in Japan een kunstvorm.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

de vouwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vouw

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vouwen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be