vrek - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vrek vrekken
verkleinwoord vrekje vrekjes

Zelfstandig naamwoord

de vrek v / m

  1. iemand die ongepaste zuinigheid betracht
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vrek" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord vrek vrekke

vrek

  1. vrek, gierigaard
stamtijd
infinitief voltooid deelwoord
vrek gevrek
volledig

Werkwoord

vrek

  1. verrekken, doodgaan, omkomen
    «Eers was dit malaria, toe vrek die trekdiere en eindelik was al die voedselvoorraad op.»
    Eerst was er malaria, toen gingen de trekdieren dood en uiteindelijk was de hele voedselvoorraad op.