wc - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wc wc's
verkleinwoord wc'tje wc'tjes

Zelfstandig naamwoord

de wc m

  1. (sanitair) toilet [1]
    • Ik ga even naar de wc.
      Gefrustreerd stapte ik uit bed om naar de wc te gaan.[3]
      Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.[4]
  2. (sanitair) toiletpot
    • Je bent de wc vergeten door te trekken.
      Ik ging naar de wc en stak mijn hand tussen mijn benen; wat geronnen bloed, maar het duidelijkste symptoom was de vage buikpijn die ik had, onderin, een doffe pijn, het gevoel dat ik was opengereten en beurs was.[5]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "wc" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. wc op website: Etymologiebank.nl

  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  5. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be