weer - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord weer -
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

[A] het weer o

  1. (meteorologie) de atmosferische omstandigheden [1]
    De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.[11]
  2. de gevolgen van 1
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. atmosferische gesteldheid

2 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de weer m

  1. (landbouw) gesneden ram of geitenbok [2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
3 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

[C] de weer v

  1. het afweren, tegenstand, verwering, weerstand
  2. werkzame beweging, kracht, macht
  3. verschansing, verdedigingswerk (wal, muur, dijk) [3]
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

zich mooier voordoen dan men is

vroeg aan het werk zijn

druk bezig zijn

Werkwoord

vervoeging van
weren

[C] weer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
    • Ik weer.
  2. gebiedende wijs van weren
    • Weer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
    • Weer je?
4 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

[D] het weer o

  1. eelt
  2. aantasting, mede door invloed van licht en vochtigheid, vochtstip
    • Doordat de tent nat werd opgerold bleek er enige dagen later het weer in te zitten
  3. (België, Zeeuws, Noord-Brabants) knoest, kwast, knobbel [12]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
5 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

[E] de weer v

  1. afgesloten plaats aan zee voor visvangst, gevlochten visnetten ter afsluiting van water om vis te bewaren; visweer
  2. (gewestelijk) kleischoor, d.i. al dan niet met riet begroeide krib van klei[13]
Afgeleide begrippen
Vertalingen
6 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[F] de weer v

  1. (leenstelsel) recht op de heerschappij (beheer, genot of bewoning) over goederen, ambten en mensen (onvrije dienaren) die wel of niet aan een ander toebehoren
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. feodaal recht op de heerschappij over een vastgoed

7 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

[G] de weer v / m

  1. (Noord-Hollands) landerijen tussen twee afwateringssloten (de zogenaamde weersloten)

Bijwoord

[H] weer

  1. nog een keer
    • Weer wordt een volk gehersenspoeld door een autoritaire regering
      Weer worden jonge soldaten gestuurd naar zinloze acties
      Weer komen zij terug in lijkenzakken of met afgehakte ledematen
      Weer moeten miljoenen burgers vluchten uit hun vertrouwde omgeving
      Weer viert het fervente nationalisme hoogtij
      Het vernieuwde Hoofdstation van Groningen moet op 13 juli weer volledig opengaan.[14]
      Het KNGMG hoopt dat er nog gesprekken volgen met de vele instituten en bedrijven in binnen- en buitenland die gebruikmaken van de kennis en faciliteiten van de VU. "We begrijpen dat de kosten hoog zijn voor de VU, en dat er financiële problemen zijn, maar dit is rücksichtslos. Dit moet je niet zelfstandig als instituut doen. Verschillende organisaties willen het gesprek aangaan. Verken nu eerst goed samen wat de mogelijkheden zijn voordat je iets afbreekt dat je niet snel weer opbouwt."[15]
  2. van de andere kant (vaak als eerste deel van samenstellingen als weerspraak en weerstrijd)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

weer terecht zijn

het is weer raak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[16]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 weer op website: Etymologiebank.nl
  2. 1 2 weer op website: Etymologiebank.nl
  3. 1 2 weer op website: Etymologiebank.nl
  4. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 575
  5. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 579
  6. 1 2 "weer" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  7. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 574
  8. Gerald van Berkel en Kees Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, Rotterdam: Mijnbestseller.nl, 2018.
  9. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  10. weer op website: Etymologiebank.nl

  11. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  12. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  13. Theodorus Henricus van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland, Assen: Van Gorcum, 1971.
  14. Bronlink geraadpleegd op 10 mei 2025 Weblink bron “Station Groningen ruim twee maanden dicht vanwege verbouwing” (10 mei 2025), NOS
  15. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  16. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Limburgs

Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

weer

  1. wij
  2. men
Verbuiging
weer enkelvoud meervoud
geheel onbeklemtoond gemuteerd gemuteerdonbeklemtoond geheel onbeklemtoond gemuteerd gemuteerdonbeklemtoond
nominatief ich 'ch - - weer v'r - -
genitief miens mes - - ózzes, ózzer - - -
locatief mienes, mienentj - - - ózzes, ózzentj - - -
datief mir mör - - ós, ózzem, ózze - - -
accusatief mich me - - ós - - -
reflexief michzèlf mich - - ószèlf ós - -

Nedersaksisch

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

weer

  1. (meteorologie) weer; de atmosferische omstandigheden

Veluws

Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

weer

  1. (meteorologie) weer; de atmosferische omstandigheden