wied - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord wied -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het wied o

  1. onkruid.
    • Je moet het wied even weghalen.
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wieden

wied

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieden
    • Ik wied.
  2. gebiedende wijs van wieden
    • Wied!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieden
    • Wied je?

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Limburgs

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

wied

  1. ver
  2. wijd
  3. breed

Bijwoord

wied

  1. ver
    «Wie wied guuef 't nag tèl Mestreech?»
    Hoe ver is het nog tot Maastricht?

Maltees

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

wied

  1. vallei, dal.