winst - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winst winsten
verkleinwoord winstje winstjes

Zelfstandig naamwoord

de winst v

  1. (economie) het verschil tussen de verkoopsprijs en alle kosten die men heeft gemaakt
    Mijn middelste dochter en ik shopten vaak in de stad en struinden kringloopwinkels af en ze begon vervolgens een klein handeltje door de daar gekochte merkkleding met winst door te verkopen.[3]
    In Deventer is gisteravond een groot feest gevierd na de winst van Go Ahead Eagles in de bekerfinale. De ploeg van Paul Simonis won voor het eerst in de geschiedenis de KNVB-beker en plaatste zich daarmee voor de competitiefase van de Europa League.[4]
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Het is een strop [2] geworden, het heeft niks van meerwaarde opgeleverd

Vertalingen

1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde

winst opleveren

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "winst" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. winst op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 22 april 2025 Weblink bron “Feest barst los in Deventer na winst Go Ahead Eagles: 'We gaan Europa in!'” (22 april 2025), NOS
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be