woud - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woud wouden
verkleinwoord woudje woudjes

Zelfstandig naamwoord

het woud o

  1. (ecologie) groot bos [1]
    • In dat woud verdwaal je gemakkelijk.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Amazonewoud Groenewoud Hoogwoud Midwoud Nibbixwoud Oostwoud Oranjewoud Westwoud antennewoud berkenwoud dennenwoud elfenwoud moessonwoud naaldwoud nevelwoud oerwoud pijnwoud regenwoud tropenwoud
Afgeleide begrippen
Woudenberg Woudsend kleine woudzwever woudaap woudaapje woudbeek woudbladroller woudbloem woudbuffel woudduif woudduivel woudezel woudfluit woudgebergte woudgod woudkrabspin woudloper woudolifant woudos woudparelmoervlinder woudplatvoetje woudreus woudstad woudvliegenvanger woudvogel woudwever woudzwever
Vertalingen

1. groot bos

Duits: Wald (de) m Engels: forest (en) Frans: forêt (fr) v Ido: foresto (io) Papiaments: mondi grandi será Spaans: bosque (es) m Vietnamees: rừng (vi)

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "woud" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be