wout - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wout
Woordherkomst en -opbouw
- mogelijk van Middelnederlands wout, misschien ook beïnvloed door de naam "Wout"
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wout | wouten |
| verkleinwoord | woutje | woutjes |
Zelfstandig naamwoord
de wout m
- (straattaal) politieagent
- Een ‘wout’ heeft een beschonken fietser aangehouden. De wout: "Ge het gin licht op…" De man: "Dè klopt… enkel donker." [1]
Synoniemen
Gelijkklinkende woorden
Gangbaarheid
- Het woord wout staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "wout" herkend door:
| 66 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 38 % | van de Vlamingen.[2] |
Verwijzingen
- ↑ Schilders, E. Column over de kroeghumor van Cees Robben uit het Brabants Dagblad (11 oktober 2002) op website Cultureel Brabant: cubra.nl; geraadpleegd 2018-10-01
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Middelnederlands
Woordherkomst en -opbouw
- [A] van Oudnederlands walt "groot, ongerept bos" [1]
- [B] van Oudnederlands giwalt "macht, overheersing" [2][3][4]
Zelfstandig naamwoord
[A] wout o
- woud, groot, ongerept bos
Zelfstandig naamwoord
[B] wout v (?)