wout - WikiWoordenboek (original) (raw)

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Wout

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wout wouten
verkleinwoord woutje woutjes

Zelfstandig naamwoord

de wout m

  1. (straattaal) politieagent
    • Een ‘wout’ heeft een beschonken fietser aangehouden. De wout: "Ge het gin licht op…" De man: "Dè klopt… enkel donker." [1]
Synoniemen
Gelijkklinkende woorden

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Schilders, E. Column over de kroeghumor van Cees Robben uit het Brabants Dagblad (11 oktober 2002) op website Cultureel Brabant: cubra.nl; geraadpleegd 2018-10-01
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

[A] wout o

  1. woud, groot, ongerept bos

Zelfstandig naamwoord

[B] wout v (?)

  1. macht, volmacht

Verwijzingen

  1. Middelnederlandsch Woordenboek
  2. Middelnederlandsch Woordenboek
  3. Middelnederlandsch Woordenboek
  4. Oudnederlands Woordenboek