zakje - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

het zakje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zak
    In de rugzak zijn fotocamera, een thermosfles met kruidenthee, een zakje beukennootjes en vogelmuur: een plant met reinigende werking die heerlijk smaakt in salades en soepen.[1]
    Er zit ook een minuscuul zakje met schijfjes bij.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238

  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526