zakje - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zak·je
Zelfstandig naamwoord
het zakje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zak
▸ In de rugzak zijn fotocamera, een thermosfles met kruidenthee, een zakje beukennootjes en vogelmuur: een plant met reinigende werking die heerlijk smaakt in salades en soepen.[1]
▸ Er zit ook een minuscuul zakje met schijfjes bij.[2]
Hyponiemen
- boterhamzakje, filterzakje, gripzakje, haarzakje, hartenzakje, hartzakje, kerkenzakje, loonzakje, sporenzakje, theezakje
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
- Het woord zakje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Verwijzingen
- ↑ “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
- ↑
Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526