zegepraal - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zegepraal zegepralen
verkleinwoord zegepraaltje zegepraaltjes

Zelfstandig naamwoord

de zegepraal v / m

  1. triomf
  2. overwinning
Synoniemen
Vertalingen

1.

Engels: triumph (en) Spaans: triunfo (es) m

Werkwoord

vervoeging van
zegepralen

zegepraal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegepralen
    • Ik zegepraal.
  2. gebiedende wijs van zegepralen
    • Zegepraal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegepralen
    • Zegepraal je?

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. zegepraal op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be