zever - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zever zevers
verkleinwoord zevertje zevertjes

Zelfstandig naamwoord

de zever m

  1. (informeel), (pejoratief) iemand die schier eindeloos over onbelangrijke details blijft praten [3]
    • Ik krijg echt die kriebels van die zever!
  2. speeksel, kwijl [4]
    • De zever liep langs zijn kin.
  3. (informeel) flauwekul, kletspraat
    • Dit is toch alleen maar zever.
  4. (informeel) gedoe, problemen
    • Je krijgt daar straks een hoop zever mee.
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zeveren

zever

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
    • Ik zever.
  2. gebiedende wijs van zeveren
    • Zever!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
    • Zever je?

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "zever" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. zever op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be