zever - WikiWoordenboek (original) (raw)
- In de betekenis van ‘kwijl’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
- afgeleid van zeef (stam van het werkwoord zeven) met het achtervoegsel -er [2]
de zever m
- (informeel), (pejoratief) iemand die schier eindeloos over onbelangrijke details blijft praten [3]
- Ik krijg echt die kriebels van die zever!
- speeksel, kwijl [4]
- De zever liep langs zijn kin.
- (informeel) flauwekul, kletspraat
- Dit is toch alleen maar zever.
- (informeel) gedoe, problemen
- Je krijgt daar straks een hoop zever mee.
zever
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
- gebiedende wijs van zeveren
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
| 83 % |
van de Nederlanders; |
| 98 % |
van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "zever" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ zever op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be