[A] Naamwoord van handeling van zien (met het achtervoegsel -t); Middelnederlands sicht, ontwikkeld uit Oergermaans *sih(w)ti- ‘aanblik; het zien’, abstractum bij de wortel van *sehwan- ‘zien’ (zie aldaar). Evenals Nederduits, Duits Sicht en Engels sight.[1]
[B] In de betekenis van ‘soort zeis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350.[2] Middelnederlands sichte, ontwikkeld uit Oergermaans *segiþō- ~ *segiþia, afleiding van *seg- ‘snijden’ (waarvoor zie zaag, zegge).[3] Evenals Nederduits Sicht ‘sikkel’, Engels scythe ‘zeis’ en IJslands sigð ‘sikkel’.
uit het zicht: dat wat men niet kan zien, onzichtbaar ▸ ' In de la balde Teresa, uit het zicht van haar mevrouw, haar vuisten om de satijnen hemdjes heen.[5] ▸ 'we zouden nu wel een foto voor Peggy Guggenheim kunnen maken,' zei Olive toen de auto uit het zicht verdween.[5] ▸ Winkeliers moeten extra tijd krijgen om sigaretten en tabakswaar uit het zicht te laten verdwijnen. Regeringspartij VVD wil dat staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid meer tijd neemt voor dit deel van zijn anti-rookplannen.
(figuurlijk) zicht hebben op: dat wat men kan begrijpen ▸ Ook kinderen tot elf jaar belanden regelmatig in het ziekenhuis. "Zij beginnen net met fietsen", zegt Baden. "Ze zijn de vaardigheid nog aan het leren, en hebben nog minder zicht op de gevaren van het verkeer."[7]