zinnen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
zinnen /'zɪnə(n)/ zon zɔn gezonnen ɣə'zɔnə(n)
1. klasse 3 volledig
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
zinnen /'zɪnə(n)/ zinde /'zɪndə/ gezind /ɣə'zɪnt/
2. zwak -d volledig
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

zinnen

  1. inergatief de gedachten ergens over laten gaan
    • Hij zon op wraak.
  2. onpersoonlijk in de smaak vallen
    • Dat zinde hem helemaal niet.
      Aanleiding zijn de bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek door president Trump. Hij heeft op grote schaal subsidies geschrapt voor universiteiten en instellingen die zich bezighouden met onderwerpen die hem niet zinnen, zoals klimaatverandering en gender. Veel onderzoekers zijn daardoor hun baan kwijtgeraakt. Bij sommige instellingen zijn onderzoeksgroepen en -programma's opgeheven.[3]
Hyponiemen
Vertalingen

1. de gedachten ergens over laten gaan

Zelfstandig naamwoord

de zinnen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zin

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "zinnen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. zinnen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Frank Renout
    “Europa: 600 miljoen euro om Amerikaanse wetenschappers aan te trekken” (5 mei 2025), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be