zoel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zoel zoeler zoelst
verbogen zoele zoelere zoelste
partitief zoels zoelers -

Bijvoeglijk naamwoord

zoel

  1. aangenaam warm
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
zoelen

zoel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoelen
    • Ik zoel.
  2. gebiedende wijs van zoelen
    • Zoel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoelen
    • Zoel je?

Gangbaarheid

33 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "zoel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be