zoen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zoen zoenen
verkleinwoord zoentje zoentjes

Zelfstandig naamwoord

de zoen m

  1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
  2. (geschiedenis) verzoening, vrede (zie bijv. zoenoffer)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
gezoen zoenaltaar zoenbloed zoendood zoener zoengaven zoengeld zoenkruis zoenlippen zoenoffer zoenofferande zoenpartij zoenrecht zoenvis zoenwater
Vertalingen

1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp

Werkwoord

vervoeging van
zoenen

zoen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
    • Ik zoen.
  2. gebiedende wijs van zoenen
    • Zoen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
    • Zoen je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "zoen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. zoen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be