zwachtel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwachtel zwachtels
verkleinwoord zwachteltje zwachteltjes

Zelfstandig naamwoord

de zwachtel m

  1. een lange, smalle strook dun textiel voor het verbinden van een wond
    • Ziekenhuizen hebben een overschot aan zwachtels.
      Daarna gingen we naar de tuin, waar we de lakens en zwachtels in een oud prieel hadden verborgen.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwachtelen

zwachtel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwachtelen
    • Ik zwachtel.
  2. gebiedende wijs van zwachtelen
    • Zwachtel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwachtelen
    • Zwachtel je?

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "zwachtel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Victoria Holt
    “Geluk in gevaar” (2021), Saga, ISBN 9788726484922
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be