zweem - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zweem zwemen
verkleinwoord zweempje zweempjes

Zelfstandig naamwoord

de zweem m

  1. spoor
    • Er was geen zweem van berouw te herkennen.
      Hoewel boeren in beide regelingen geld ontvangen om met hun bedrijf te stoppen, verschillen de doelen, middelen en de uitvoerder van de regeling. Wel is er één belangrijke overeenkomst: uitkopen gaat altijd vrijwillig. "Er zal nooit een zweem van verplichting aan zitten", verduidelijkt een woordvoerder van het Interprovinciaal Overleg (IPO).[2]
      Ik moest dat zweempje blauw te pakken krijgen, die weerschijn van het colbert in die koude staalgrijze ogen.[3]
      Deze strijders, hongerig, in lompen gekleed, verborgen in grotten in de bergen en riolen onder de steden, vochten voor het laatste zweempje menselijke waardigheid.[4]
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwemen

zweem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwemen
    • Ik zweem.
  2. gebiedende wijs van zwemen
    • Zweem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwemen
    • Zweem je?

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "zweem" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 25 juni 2022 Weblink bron “Deze opties hebben boeren om minder stikstof uit te stoten” (25 juni 2022), NU.nl

  3. Victoria Holt
    “Minnares van de duivel” (1982), Saga, ISBN 9788726484731

  4. Liu Cixin
    “Het einde van de dood” (2021), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044645835
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be