zwendel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwendel
verkleinwoord zwendeltje zwendeltjes

Zelfstandig naamwoord

de zwendel m

  1. bedrog, fraude, oplichting, flessentrekkerij, geknoei
    ?' 'Dat het een grote zwendel is en dat ze hem geld hebben afgetroggeld,' zei Toivonen.[2]
    In het begin kon ik geen kant op, toen ben ik verdergegaan in de zwendel, maar toen ben ik wat eerlijke zaken gaan doen.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwendelen

zwendel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwendelen
    • Ik zwendel.
  2. gebiedende wijs van zwendelen
    • Zwendel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwendelen
    • Zwendel je?

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. zwendel op website: Etymologiebank.nl

  2. Håkan Nesser
    “Herfst op Gotland” (2021), De Geus (uitgeverij), ISBN 9789044535624

  3. Liu Cixin
    “Het donkere woud” (2008), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044645828
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be