zwichten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
zwichten zwichtte gezwicht
zwak -t volledig

Werkwoord

zwichten

  1. ergatief toegeven, wijken; het moeten afleggen
    • De vijand zwichtte onder de druk van de onverwachte hevige aanval.
      De koning had zijn schoonzus op het hart gedrukt niet te zwichten voor chantage.[2]
  2. overgankelijk, (molenaarsambacht) het aanpassen van de zeilvoering op de wieken i.v.m. de windsterkte
    • Bij sterkere wind moet je de molen zwichten door zeil te minderen, bij zwakkere wind juist meer zeil spannen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

de zwichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zwicht
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "zwichten" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. “Het koninklijk huis” (2022), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026354953
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be